Home -> Online artikelen -> ERDAS Titan
Geo-data delen
ERDAS Titan
Door: Dirk Voets
![]() |
Geodata is duur, specialistische kennis nog veel duurder. Hoe beter je het verspreidt door je organisatie, hoe beter de investeringskosten verdedigbaar zijn. Hoe werkt peer-to-peer-uitwisseling?
Om data door de organisatie te verspreiden zijn er vijf mogelijke manieren. Elk van deze vijf manieren heeft voordelen, die het de beste oplossing maken onder bepaalde omstandigheden. Geen van deze vijf methoden is ‘de oplossing’ voor het geodata-verspreidings probleem. Een goede mix van deze vijf methoden zorgt ervoor dat een organisatie op volle toeren draait en zo efficiënt mogelijk werkt. Er zijn oplossingen die bij al deze werkwijzen aansluiten, en die ze vereenvoudigen. Een leverancier als Erdas ondersteunt actief elk van deze vijf methoden. Maar in dit artikel wordt gefocust op de laatste, op de peer-to-peer ondersteuning, op Erdas Titan.
Individuele computers
Je zet individuele bestanden op individuele computers, en je dupliceert data naar elke werkplek. ‘GIS in the 80’s’ zeg maar. Het model is heel eenvoudig. Geen afhankelijkheden naar netwerken, servers en de rest. Maar dataduplicatie met alle facetten van dien is een probleem (meer opslag capaciteit, wijzigingen doorvoeren, etc.).
File-server
Je zet al je geodata op een fileserver. Alles centraliseren op de netwerkschijf. Groot voordeel is dat updates heel eenvoudig zijn door te voeren. Rechten zijn vrij eenvoudig in te stellen. Nadeel is natuurlijk de netwerkbelasting.
Alles in database
Met ‘alles in een database’, worden updates, versioning, rechten, back-ups, allemaal zeer eenvoudig Databases zijn daar natuurlijk super in, ze zijn er voor ontworpen! Nadeel is de overhead aan soft- en hardware. En nog steeds speelt het probleem van de netwerkbelasting.
![]() |
Webservices
Gebruik services om je data door de organisatie te verspreiden. Dat kunnen OGC webservices zijn als WMS en WFS en dergelijke, maar ook meer algemeen (bijvoorbeeld SOAP en LDAP services), of meer specifiek (bijvoorbeeld JPIP en ECWP services). Groot voordeel is de beperkte netwerkbelasting, en zeer eenduidig versiebeheer. Rechten op de services zijn goed toekenbaar. Nadeel is dat een behoorlijk geavanceerde serveromgeving noodzakelijk is om webservices goed aan de praat te krijgen.
Peer-to-peer technieken
Het grootste voordeel van ’peer-to-peer’-netwerken is, dat het zo goed aansluit bij het menselijk gedrag. Het grootste nadeel is: hoe zorg ik ervoor dat mijn data niet in verkeerde handen valt? Het delen wordt al snel: het weggeven van data. En dat willen we vaak niet! Maar gelukkig zijn daar tegenwoordig goede technische oplossingen voor.
Centralisatie of decentralisatie
Vanuit organisatorisch oogpunt is centralisatie enorm belangrijk. Er zijn veel kostenbesparingen mogelijk en efficiëntieverbeteringen haalbaar door te centraliseren. Tegelijk zie je ook (en dat zie je overal, of het nu een reorganisatie van Philips betreft, of het samenwerken met geodata) dat decentralisatie vereist is om mensen betrokken te houden, om ‘te veel lagen’ te vermijden. Die twee krachten, centralisatie en decentralisatie, lopen altijd door elkaar heen. Om de analogie naar onze markt door te trekken: in onze geowereld is de roep om webservices een goed voorbeeld van centralisatie, en die is ook hard nodig. Maar de peer to peer technieken van decentralisatie zijn vaak niet minder belangrijk. Dat is toch waar het voor mensen om draait.
Zaken uit handen geven?
Mensen houden er niet van om hun zaken uit handen te geven. Het is vervelend om een systeembeheerder te moeten bellen, die een van je bestandjes moet uploaden, en beschikbaar moet stellen. Dat is onhandig, het duurt te lang, en je houdt geen controle over de situatie. Drie belangrijke redenen waarom mensen daar niet aan willen meewerken. ‘Laat maar, ik mail wel een subsetje’ is dan al snel een uitwijkmanoeuvre. Maar ook dat heeft natuurlijk weer nadelen, want dan maak je kopieën terwijl dat ook weer niet echt gewenst is (controle kwijt, wie heeft de meest recente versie, etc.), je moet een half uur spenderen aan het uitknippen en mailen van de data, de mailserver is over zijn toeren. Er zijn veel redenen te verzinnen waarom dat niet optimaal is.

Lokaal opslaan en delen
Wat je wilt is dat je bepaalde data lokaal kunt opslaan, maar dat je die tegelijkertijd wel kunt delen. Dat lokaal opslaan doe je tenslotte toch. Je werkt aan een versie van een analyse, en totdat je het eindresultaat hebt ga je het niet op een server zetten. Toch wil je tegelijk wel input van collega’s over of je op de juiste weg zit. Of om veiligheidsredenen houd je zaken lokaal, omdat je in principe niet wilt dat anderen het kunnen zien. Op die ene uitzondering na dan, die ene persoon die het juist weer wel moet zien. De mens is een echte jager en verzamelaar. We vinden data, slepen het terug naar ons ‘hol’, en gaan er op zitten. We delen niet zo vreselijk gemakkelijk. Maar soms hebben we toch wel weer de behoefte om, met mate, te delen.
WMS Service
Erdas Titan geeft de gebruiker een ‘peer-to-peer experience’ (maar niet ‘echt’ peer-to-peer, daarover zo meer). In een chat omgeving à la Windows Live Messenger, of Skype, kun je met collega’s, vrienden en bekenden chatten. Die chat kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een project waar je met z’n allen aan werkt. Lokale data kan dan worden gedeeld met specifieke gebruikers in dat chat-netwerk. En die data wordt dan niet weggegeven. Dit is vrij essentieel in dit verhaal.
Er is geen ‘Download’ knop voor de data, en dat is bewust zo. Die data blijft namelijk bij de bron. Die gaat niet weg. Je mag er alleen naar kijken, als de eigenaar van de data je daar toestemming voor geeft.
Er wordt een WMS-service aangemaakt naar de data toe, op iemand anders harde schijf. Dat is op zich een grappig aspect: je krijgt gratis een ‘personal WMS server’ cadeau. Je maakt dus door te ‘rechtermuisklikken’ op de data een WMS-service aan, en die deel je met de mensen en groepen die je zelf wilt. Op die manier kunnen die mensen je data zien, gebruiken, analyseren, alles. Maar ze krijgen de data niet. En anderen hebben er sowieso geen toegang toe. Delen, zonder te delen...
Meerwaarde
Allemaal leuk, maar waar heeft dit concrete meerwaarde? Hier twee concrete markten als voorbeeld. De eerste is in de consultancy-wereld. Projectmedewerkers die gezamenlijk werken aan, bijvoorbeeld, een plan voor een dijk in Bangladesh, elk vanuit een andere discipline, vanuit tientallen locaties over de hele aarde, en die al discussiërend en itererend tot oplossingen komen voor een ruimtelijk probleem. Alle basisdata (achtergrond satellietbeelden, Digital Chart of the World, etcetera) kan gewoon ergens vanaf een centrale server komen, daar is centralisatie een groot voordeel. Maar de inbreng van al die verschillende projectmedewerkers, hun kennis, kunde en expertise, dat is niet centraliseerbaar. Daar is een ‘crowd-approach’ nodig om efficiënt te zijn.
|
|
Rampenbestrijding
Een ander voorbeeld is rampenbestrijding. Rampenbestrijding kun je (en moet je!) voorbereiden. Je kunt voorspellingen doen. Je kunt kansen berekenen. En dus zorg je dat je Top10NL in een service klaar hebt staan, de meest recente versie. En recente luchtfoto’s. En misschien een gifwolk verspreidingsmodel. Dat soort dingen kun je voorbereiden, en die moet je dus ook voorbereiden. Je kunt al toegangsrechten opstellen voor de politie, de brandweer, de burgemeesters, et cetera. Dit zijn zaken die zich nadrukkelijk lenen voor centralisatie.
Maar dan vindt de ramp echt plaats. En dan is het toch net iets anders dan je had verwacht. Zo werkt dat natuurlijk. Je weet van te voren dat je heel veel niet zult weten. En dus is het motto: voorbereiden waar je kunt, improviseren waar je moet. Dat betekent in geotechnische zin: centraliseren in de voorbereiding (de preparatiefase) , en peer-to-peer in de repressiefase.
Voorbeeld ramp
Laten we een ramp als voorbeeld nemen. De Douwe Egberts-fabriek in Utrecht ontploft en er breekt een enorme brand uit. Politie rukt uit om het gebied af te zetten, Brandweer gaat aan de slag. Ambulances rijden af en aan. De burgemeester neemt plaats in het crisiscentrum. OK, tot hier is het ‘standaard’. Maar dan.... Rijkswaterstaat blijkt erbij betrokken, want de A2 loopt erlangs, en die moet afgesloten worden. ProRail is nodig, want de intercitylijn tussen Utrecht en Rotterdam/Den Haag wordt buiten gebruik genomen. De chlooropslag ontploft, en buurtraad Ondiep en het Gemeentelijk Vervoerbedrijf wordt ingeschakeld, om met bussen de bewoners te evacueren. Een crisisteam van Eneco moet erbij, om alle elektriciteit in de omgeving uit te schakelen. Niet enkel de burgemeester moet optreden, de ramp is zo groot dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken aan de bak moet. En wie beschikt over de informatie? De gemeente Utrecht natuurlijk. De regionale politie- en brandweercorpsen. De GG&GD. Maar ook onlogische ‘partners in crime’ als die scholier die voor de schoolkrant net de dag ervoor 100.000 foto’s van het terrein had genomen. En die pas gepensioneerde conciërge van Douwe Egberts, die nog precies weet welk trappetje verroest is, en welke rioolbuis al jaren buiten gebruik is. Bij een fatsoenlijke ramp is het aantal bestrijders, belanghebbenden en betrokken organisaties steeds moeilijker te voorspellen. Dit is waar improvisatie nodig is. En niemand hoeft overtuigd te worden van de meerwaarde van geografie als bindende factor, als de ‘foreign key’ bij het koppelen tussen alle databases, als de lijm tussen alle kennis. Bij een dergelijke grootschalige en complexe situatie is centralisatie een vereiste, maar een geografische peer-to-peer-oplossing is net zo goed cruciaal.
Niet echt peer-to-peer
Dan nog even technisch over het peer-to-peer concept. Want dat heeft natuurlijk een beetje een negatieve bijklank gekregen. Het riekt naar illegale films downloaden en dergelijke. En daar zit wel iets in natuurlijk. Ook illegale zaken laten zich lastig centraliseren zonder ontdekt te worden, dus ook illegale praktijken zien wel wat in peer-to-peer approaches. Om deze negatieve zaken te vermijden is Titan niet écht peer to peer, maar wordt hier gesproken over een ‘peer to peer experience’. Het lijkt namelijk alsof twee personen rechtstreeks data delen, van zijn laptop harde schijf naar haar GIS applicatie of C2-systeem. Maar het gaat niettemin wel langs een centrale server. En die server slaat de data niet op, die blijft echt lokaal staan. Maar centraal wordt wel geregeld wie wat mag. En dat wordt ook gelogd. Ieder mag bepalen of hij of zij data met een ander deelt, maar centraal is al wel besloten of twee personen wel onderdeel uitmaken van hetzelfde netwerk, en of Jan of Piet überhaupt wel data mag delen. En hoeveel dan. Op die manier zijn illegale praktijken goed uit te sluiten. En het is ook afrekenbaar. Je kunt er een business model bij bedenken. Men kan een service verkopen aan anderen (of kosten kunnen aan afdelingen toegerekend worden), want het is gelogd wie hoe vaak en hoeveel data van wie gebruikt. Op die manier is veiligheid dus gewaarborgd, en is het ook nog eens financieel solide. En dat is relevant. Want zonder dat wordt de data en de kennis niet uitgewisseld, dan blijft het lokaal.
Dirk Voets dirk.voets@imagem.nl is account manager defensie bij Imagem
www.imagem.nl








