Column: INSPIRE-data uitbreiden met extensies. Hoe doe je dat?

4 juli 2017

Er is momenteel veel te doen over het hergebruik van INSPIRE-data op nationaal of lokaal niveau. INSPIRE-data kunnen ingezet worden als basisdata, waar vervolgens extra informatie, extra detail aan wordt gekoppeld voor specifieke toepassingen. Dat kan op verschillende manieren. Eén daarvan is het uitbreiden van de INSPIRE-dataspecificaties. Er worden dan extensies gemaakt die verder gaan waar INSPIRE ophoudt. Maar hoe moet dat dan?

Eerst maar eens een voorbeeld van hoe het zou kunnen werken. Alex is een datamanager die energielabels wil koppelen aan gebouwen. En dan wel op zo’n manier dat partners in andere EU-landen ook wat met die gegevens kunnen. Met INSPIRE-basisdata lukt dat sneller en goedkoper dan daarvoor. Kijk maar eens naar dit filmpje: http://inspire.ec.europa.eu/videos/make-inspire-work-you

In juni 2017 bezocht ik in Parijs een internationale workshop georganiseerd door EuroGeographics, EuroSDR en Geonovum. Vanuit Geonovum doen we hieraan mee, omdat we vorig jaar een onderzoek hebben gedaan naar INSPIRE-extensies en er een handleiding voor hebben opgesteld. Toen kwamen we er al achter dat je als individueel land onmogelijk alle kennis in huis kunt hebben om hier de juiste oplossingen voor te bedenken. Oplossingen die dan ook nog op Europees niveau gebruikt kunnen worden. Daarom zijn we nu in Parijs met een veertigtal deelnemers uit verschillende landen. In twee dagen worden er twintig presentaties gehouden. Een rijke verzameling aan cases passeert de revue. Voorbeelden waarin op nationaal niveau data wordt geïntegreerd middels INSPIRE; lokaal, internationaal, op onderzoeksterrein en operationeel.

Statement
Tijdens de presentaties worden er interessante statements gemaakt en ik houd ervan om die statements te laten inspireren. In eerste instantie even zonder de gedetailleerde context. Zoals het antwoord op de vraag hoe je INSPIRE moet toepassen. Wanneer doe je het goed? Het enige volwassen antwoord hierop is dat je dat zelf moet bepalen. Dat is inderdaad een statement dat duidelijk aangeeft dat je altijd zelf moet blijven nadenken, zowel in je eigen context als in de Europese context. Het grote doel is data delen, beschikbaar stellen binnen en tussen lidstaten, interoperabel en effectief. Zolang je dit doel in gedachten houdt, kun je veel van dit soort vragen beantwoorden.

Natuurlijk zijn er details en daar zijn richtlijnen voor. En daar moet ieder land zijn weg in vinden. Ieder land heeft zijn eigen kennisbasis, gegevensbasis, waarmee het velerlei processen moet realiseren, waarvan er één INSPIRE is. Het is logisch dat je dat zo efficiënt mogelijk wilt doen en dus zoekt naar synergie en integratie van datastromen en portalen. Extensies op INSPIRE zijn dan een optie.

Blijven nadenken
De meeste landen aanwezig hebben wel voorbeelden hiervan: een 3D uitbreiding op INSPIRE Buildings voor het Spaanse Kadaster. Of een INSPIRE-data-integratie met het EU-landbouwprogramma. Mijn collega van het Kadaster Nederland vertelt het verhaal van het Informatiemodel Kabels en Leidingen dat in de nieuwe versie een volledige extensie is van het INSPIRE Utility Services. Precies zoals INSPIRE dat als valide extensie ziet, maar wel met een bepaalde technische oplossing. Die wordt dan ook uitgelegd. Voor deze toepassing prima, voor andere toepassingen zijn er andere mogelijkheden. Zelf vertel ik over de Omgevingswet en de informatiemodellering daarin. Een combinatie van geo-standaarden, tekststandaarden en een beetje linked data. Omdat deze toepassing daarom vraagt. Maar opnieuw ook een kwestie van blijven nadenken. Revolutionair in deze combinatie, maar niet iets dat gelijk kan aansluiten op INSPIRE. Dat moet nog verder ontwikkeld worden.

Gebruikersonderzoeken naar toepassing van INSPIRE-specificaties en uitbreidingen daarop zijn er nog weinig. Ervaring laat wel zien dat binnen een toepassingsdomein niet verwacht mag worden dat mensen zomaar overstappen op een andere set van begrippen, in een andere taal. Een vertaling van het gebruikte model naar INSPIRE-model is daarom vaak nodig. Een werkveld moet zich kunnen herkennen in de gebruikte termen anders zal de acceptatie laag zijn. Dat betekent dat men daar samen met het werkveld aan moet werken. Dus het is naast een technisch proces, ook een sociaal proces.

En Alex, de datamanager, wat heeft hij er uiteindelijk aan? Alex heeft energielabels op adresniveau en deze wil hij aan gebouwen koppelen, analyseren en in beeld brengen. En niet alleen vandaag, maar ook morgen, en volgend jaar. Hij is dus op zoek naar een bestendige werkwijze. Hij kan zijn eigen energielabel-informatiemodel maken met zijn informatie gekoppeld aan delen uit INSPIRE. Hoe je dat doet, daar hebben we inmiddels een aantal antwoorden op. De voorbeelden uit de workshop vindt u alvast op: http://www.eurogeographics.org/content/workshop-inspire-extension-june-2017

Algemene informatie over INSPIRE-extensies: http://inspire.ec.europa.eu/portfolio/extensions

Paul Janssen is informatiemodelleur en social architect bij Geonovum

Comments are closed.