Geo-standaarden in de praktijk: Alliander

27 februari 2018

Energietransitie, data-uitwisseling, procesoptimalisatie

Overheid en uitvoeringsorganisaties, in binnen- en buitenland, werken hard aan het ontwikkelen en verbeteren van geo-standaarden. Iedere dag zijn zij ook bezig met het vastleggen, beheren, en beschikbaar stellen van geo-informatie volgens die standaarden. Maar wie zijn de eindgebruikers van deze data? En wat doen zij er allemaal mee? Zijn standaarden belangrijk voor hen, of staan ze ontwikkelingen in de weg? In een serie vraaggesprekken gaan wij op zoek naar de gebruikers van geografische data en proberen wij een beeld te krijgen van hun ervaringen en wensen. Deze keer is de beurt aan Jan van Gelder, informatiemanager bij Alliander.

Door Rob Burkhard

Alliander: “We leveren geen energie, want dat mogen we niet als netbeheerder, maar verzorgen wel de infrastructuur.”

Wie het over Alliander heeft, heeft het over een holding waarin verschillende bedrijven zijn ondergebracht. Het bekendste bedrijfsonderdeel is zonder twijfel regionaal netbeheerder Liander, die ruim drie miljoen consumenten en bedrijven iedere dag van gas en elektriciteit voorziet. “Daarmee is Liander een van de vier grote regionale netbeheerders in Nederland”, vertelt Jan van Gelder, informatiemanager bij Alliander.

“Vroeger, toen we nog een geïntegreerd energiebedrijf waren en nog Nuon heetten, waren we een commerciële onderneming die moest concurreren met de andere energiebedrijven. Na de splitsing is het netbeheer gereguleerd in Nederland. Het voordeel daarvan is dat wij meer samenwerken met de andere netbeheerders en ons ook meer kunnen richten op onze maatschappelijke doelstellingen.”

Belangrijke, maatschappelijke opgaves
Voor Alliander ligt die maatschappelijke missie in de verduurzaming van Nederland en het helpen realiseren van de energietransitie. “Alliander is ook in de positie om daar op verschillende manieren een betekenisvolle bijdrage aan te leveren”, vindt Van Gelder. “We hebben een aantal dochterondernemingen die zich onder andere bezighouden met het plaatsen van laadpalen, of met het ontwikkelen van slimme software om de onderlinge handel van energie te optimaliseren. We leveren daarbij geen energie, want dat mogen we niet als netbeheerder, maar verzorgen wel de infrastructuur.”

Geo-standaarden en procesoptimalisatie
Spelen geografische standaarden een rol bij het verwezenlijken van die maatschappelijke missie? Jan van Gelder vindt van wel, in de eerste plaats omdat ze in algemene zin helpen processen te optimaliseren. “Soms is het erg fijn als iets wettelijk verplicht wordt”, legt hij uit. “Standaarden kunnen helpen om interne discussies te beslechten. Toen er nog geen adressenstandaard was vanuit de BAG, hadden wij verschillende afdelingen, maar ook leveranciers, die allemaal hun eigen adressystematiek aanhielden. Uiteraard leidde dat tot verwarring in onze systemen. Hoe prettig is het dan als er een BAG komt die het adresformaat voorschrijft dat overheden moeten gebruiken. Bij Alliander namen we die conventies over en vanaf dat moment konden we al onze adresgerelateerde processen optimaliseren. Einde interne discussie.”

“Met de BRO zullen we gewoonweg veel meer informatie krijgen. Vaak worden nieuwe netwerken aangelegd op oude bedrijfsterreinen, dan wil je zeker weten dat onze mensen daar veilig kunnen werken.”

Uitwisseling van data
Een ander groot voordeel van standaarden is dat de uitwisseling van data verbetert. “Het ligt voor de hand,” weet Van Gelder, “maar als iedereen volgens dezelfde standaard werkt, dan wordt die uitwisseling veel gemakkelijker. Dankzij de GBKN, en tegenwoordig de BGT, kunnen netbeheerders, maar ook andere partijen, hun kabels en leidingen netjes inpassen in zo’n standaardkaart en daardoor beter samenwerken. Maar toch is het nog niet zo heel lang geleden dat wij een hele grote topografie-afdeling hadden bij, toen nog, Nuon. Toen werkten wij zelf nog mee aan het beheer van de GBKN, nu is dat allemaal bij de overheid belegd. En gelukkig maar, want wij zijn netbeheerders, geen topografiebeheerders.”

Meer afstemming en veiligheid verwacht van BRO
Een basisregistratie waar Jan van Gelder veel van verwacht is de Basisregistratie Ondergrond (BRO). Voor Alliander gaat het daarbij ook weer over de afstemming met grondboorders en grondroerders. “Wat we nu doen, als we gaan graven, is dat we een bodemonderzoek laten uitvoeren. Is de bodem vervuild? De onderzoeksgegevens komen dan bij ons en ze blijven ook bij ons. Andere netbeheerders doen hetzelfde, waterbedrijven doen het ook, en zo doet iedereen onderzoek, soms in hetzelfde gebied. Dat kost geld en dat kan allemaal veel optimaler. Enige tijd geleden hebben we al eens gezocht naar een externe partij om daar iets voor op te zetten. Maar nu, met de BRO, hopen we dat er een definitief register komt waarin je gewoon kunt zien wie wanneer waar is geweest. Zodat we allemaal gebruik kunnen maken van de beschikbare gegevens in plaats van iedere keer nieuw bodemonderzoek te laten uitvoeren.”

Meer informatie met de BRO
“Een ander belangrijk element in relatie tot de BRO is veiligheid”, voegt Van Gelder eraan toe. “Met de BRO zullen we gewoonweg veel meer informatie krijgen. Vaak worden nieuwe netwerken aangelegd op oude bedrijfsterreinen, dan wil je zeker weten dat onze mensen daar veilig kunnen werken. Voordat de collega’s hun schep in de grond zetten, wil je weten hoe ze zich moeten beschermen: zijn laarzen voldoende? Of moet het ‘witte pak’ aan, compleet met mondkap, omdat er bijvoorbeeld tolueen in de bodem zit. Voor ons, maar ook voor heel veel andere partijen, zal de BRO heel veel relevantie en betekenis hebben.”

Energietransitie vraagt om nieuwe afspraken
Geo-standaarden helpen dus om duidelijkheid te creëren, bedrijfsprocessen te optimaliseren, data-uitwisseling te vereenvoudigen en de afstemming met andere organisaties te verbeteren. Maar hoe zit het met al die nieuwe ontwikkelingen die nog veel specifieker met de energietransitie verbonden zijn: windmolens, intelligente lantaarnpalen, batterijen, draadloze laadplaten? Helpen geo-standaarden bij dat soort ontwikkelingen, of staan ze die vernieuwing juist in de weg? “Als je het goed doet, dan kunnen geo-standaarden zeker helpen”, antwoordt Van Gelder. “Met de energietransitie komen er allerlei nieuwe objecten in de openbare ruimte. Het zou fijn zijn als al die locaties in een of andere geo-standaard kunnen worden vastgelegd, met bijvoorbeeld een symbool van wat voor soort ding het is. Wij hoeven natuurlijk niet te weten of het een blauwe of een witte laadpaal is, maar het is wel handig als wij bijvoorbeeld weten of het een snellader is of niet.

Met andere woorden: wat is de capaciteit die gevraagd zal worden? Voor zover ik weet, is dit nog niet echt ondervangen in een standaard.”

Interface voor iedereen hetzelfde
Een oproep dus? “Zo kan je het wel opvatten”, beaamt Jan van Gelder. “Bij Alliander maken we gebruik van geo-standaarden, maar we laten het aan andere instanties, zoals Geonovum, over om de afbakening te bepalen. Maar ik denk dat het heel belangrijk is om vanaf het begin goede afspraken te maken over al die componenten die met de energietransitie te maken hebben. We moeten samen een interface bepalen die voor iedereen hetzelfde is. Als je het niet doet, dan gaan we het allemaal zelf oplossen, en dan krijg je misschien weer verschillende oplossingen per netbeheerder. Of erger nog, misschien krijgen we wel voor iedere leverancier van apparaten die aan ons net gekoppeld worden, een andere oplossing.”

Locatie plus typering van functie
Maar gaan de ontwikkelingen niet zo snel dat het bijna onmogelijk is om over standaarden te praten? Vandaag hebben we het nog over laadpalen, morgen gaat het misschien alleen nog maar over draadloze laadsystemen. “Dat heeft te maken met waar je de grens trekt”, vindt Van Gelder. “Er zijn gegevens die altijd zullen terugkomen. Alles heeft een locatie, en alles kun je op zijn minst een typering van de functie geven. Bijvoorbeeld: ‘hier is een plek waar je je auto kunt opladen’. Vervolgens kan het gaan om een lus in het wegdek, om een paal met een stekker of om nog iets anders, want op dit niveau gaan de ontwikkelingen inderdaad snel. Maar sommige gegevens zijn zo elementair dat je ze het beste in een standaard kunt opnemen. Daarover kun je afspraken maken. En begrijp me niet verkeerd, onze bemoeienis gaat in principe niet verder dan het zogenaamde overdrachtspunt, oftewel het punt waar ons netwerk ophoudt en overgaat in het netwerk van iemand anders. Wij hoeven niet in detail te weten wat er in een lantaarnpaal zit. Misschien moeten er ook wel geo-gerelateerde standaarden komen voor het gebruik van sensoren, maar dat is niet zozeer voor óns van belang. Het enige wat handig is voor ons als netbeheerder, is om te weten welke capaciteit een bepaald punt gaat vragen, zodat wij kunnen bepalen of onze kabels daarvoor geschikt zijn.”

“Je wil niet alleen weten waar kabels en leidingen liggen, maar ook hoe alles met elkaar is verbonden. Uniformiteit en afspraken over die netwerkconnectiviteit maken het mogelijk om in een GIS, over de netbeheerders heen, de netwerken als een geheel te beschouwen.”

Een standaard voor netwerkconnectiviteit
Iets anders wat volgens Jan van Gelder steeds belangrijker zal worden met het vorderen van de energietransitie: de netwerkconnectiviteit. “Je wil niet alleen weten waar kabels en leidingen liggen,” legt hij uit, “maar ook hoe alles met elkaar is verbonden. Uniformiteit en afspraken over die netwerkconnectiviteit maken het mogelijk om in een GIS, over de netbeheerders heen, de netwerken als een geheel te beschouwen.” Liander is een regionale netbeheerder. Jan van Gelder gaat verder: “Maar we zitten bij de landsgrens wél gewoon aan het Duitse netwerk vast. Op sommige dagen is er door zon en wind te veel stroom in Duitsland. Gelukkig stroomt het dan naar andere omliggende landen die het wel kunnen gebruiken. Voor Nederland wordt dat in eerste instantie geregeld door Tennet, de landelijke netbeheerder die het hoogspanningsnet beheert. Maar wat je vervolgens ook nodig hebt om stroom weer verder te distribueren, is inzicht in de netwerkconnectiviteit van hoogspanning naar midden- en naar laagspanning. Voor ons gebied gebruiken we nu in Oracle een Node-Link-model. Dat werkt prima in Oracle, maar het werkt bijvoorbeeld niet helemaal naadloos samen met onze huidige Esri-implementatie. Als we hiervoor een standaard zouden afspreken, dan wordt het allemaal wel makkelijker en beter. Dus ja, ook hier mag je noteren dat wij een oproep plaatsen om hierover verder te denken.”

Comments are closed.